EENZAAM MAAR ZELDEN ALLEEN

Wie van de straat of uit de opvang in een eigen woning komt, is ineens grotendeels op zichzelf aangewezen. Dat geeft de nodige rust na alle jachtige onzekerheid, maar kan ook leiden tot eenzaamheid. Tineke Breukel ondervond dit aan den lijve en meldde zich aan bij een groepje van HVO-Querido dat het onderwerp eenzaamheid op de agenda heeft gezet.

Tineke Breukel (1957) wordt geboren in Gouda en groeit op in Alphen aan de Rijn.

‘Ik kom uit een vrij streng katholiek gezin, in alle opzichten behoudend,’ vertelt Tineke op de bank in haar gezellige woning in de Amsterdamse Czaar Peterbuurt. ‘Mijn vader was woninginrichter van beroep. Als kind was ik eerst heel verlegen en ging ik overal in mee. Ik was niet gelukkig, ik had weinig vriendinnetjes. Mijn moeder raakte me nooit aan, pas later heb ik begrepen dat zij ook depressief was. In mijn puberteit ben ik in opstand gekomen, soms een beetje extreem. Volgens mijn vader deugde niemand van mijn vrienden, dat hoor je niet graag. De tijd van ‘ja en amen’ was voorbij.


Drukte en rust

Ik zat op het atheneum en ben twee keer blijven zitten. Als kind heb ik nooit geweten wat ik wilde worden, ik was er niet mee bezig. Ik waaide met alle winden mee.

Hoewel ik niet zo’n studiebol was, heb ik na de middelbare school toch mijn aversie tegen studeren opgegeven en ben ik naar de sociale academie gegaan in Amsterdam, De Aemstelhorn. Daar heb ik een hele leuke tijd gehad. De nadruk lag er niet op dingen uit je hoofd leren. Je kon er lekker je eigen gang gaan. Ik heb een hele leuke stage gelopen bij buurthuis De Meerpaal aan de Eerste Schinkelstraat.


Maar in diezelfde tijd kreeg ik met de psychiatrische praktijk te maken. De stage vond ik al heel erg druk, dus meteen gaan werken zag ik niet zitten. Het was vreselijk druk in mijn hoofd. Dat ik ADD had wist ik toen nog niet, wel dat het mijn functioneren in de weg zat. Ik wilde vooral rust en in die tijd kon je van een uitkering ruim leven. Schuldig hoefde ik me daarover niet te voelen, want er was toen heel veel werkeloosheid.

Ostadetheater

Bovendien hoefde ik me niet te vervelen, we waren met veel dingen bezig. We hebben bijvoorbeeld in 1980, ik zat in de kraakscene, een oud bedrijfspand bezet, een voormalige drukkerij in de Van Ostadestraat, en omgetoverd tot een theater, dat heeft nog heel lang bestaan. Ik had niet speciaal iets met theater en ik ben ook niet heel handig, maar ik vond het wel belangrijk om samen met mensen dingen te doen die iets opleveren, waar anderen iets aan hebben. Van helemaal niks hebben we toen een echt theater gemaakt, de trappen kwamen uit de oude Victoriabioscoop. Op de opening hebben we met ons clubje een toneelstuk van Dario Fo gespeeld.

Die mensen zie ik nu niet meer, ik heb veel vrienden verloren in de loop van de tijd. Er zijn veel onrustige perioden geweest in mijn leven. Een paar keer ben ik lange tijd depressief geweest. Vaak ben ik bang dat dat weer terugkomt.

Actievoeren

In Amsterdam begon ik met een huis in de Govert Flinckstraat. Die huizen werden in die tijd leeggehaald, de gemeente wilde nieuwbouw, maar had helemaal geen plannen. Dat vonden wij niks. Leegstand? No way! We leefden samen met oude bewoners die er niet weg wilden. We organiseerden acties en vergaderingen. Ik was een van de initiatiefnemers, maar bleef liever een beetje op de achtergrond. Maar als het nodig was stond ik op de barricade, ik was wel standvastig. De wereld moest worden verbeterd! En dat is nog steeds zo.


Thuis in de Pijp

Ik heb in veel verschillende woningen gewoond, bijna allemaal in De Pijp. In de Govert Flinck, de Ferdinand Bol, in de Willibrordusstraat, bij elkaar zo’n dertig jaar. Zelfs als ik dakloos was, blijf ik in De Pijp, dan zat ik in het Sarphatipark of bij Makom.

Ik ben bij Discus terechtgekomen omdat zij op mij afstapten toen ik de laatste keer dakloos was. Dat was in 2016, ik zat in een kliniek aan de Vlaardingenlaan en ik gebruikte ongetwijfeld in die periode.


Spannend

Ik weet nog dat ik de sleutel kreeg van mijn woning, dat was heel leuk. De eerste was aan de Laurierhof, dat beviel me best, en nu hier in de Czaar Peterbuurt. Eerst stond ik wel een beetje te bibberen, daar kende ik mensen, daar was sociale controle, hier was ik weer alleen. Ik vond het een beetje spannend. Maar ik ben heel goed begeleid hoor, ik ben heel blij met Discus. Ik ben hier nu drie maanden en ik heb veel hulp gekregen bij de verhuizing en de inrichting. Ik was eerst bang dat het hier een beetje donker zou zijn, maar dat valt gelukkig mee.

Leren

Ik ben bang voor eenzaamheid, maar toch ben ik zelden alleen. Vrienden staan me bij, er komen vaak mensen bij mij op bezoek. Maar dat vind ik niet goed van mezelf. Ik vind dat ik juist meer dingen alleen moet doen. Dat moet ik leren, ik moet eraan werken, want het is beter om onafhankelijk te zijn.

Ik heb veel periodes van eenzaamheid gehad, ik denk bij elkaar wel een kwart van mijn leven. Dan blijf ik in bed liggen en vermijd ik contact. Ik neem de telefoon niet op, het kan heel snel gaan, zo’n neerwaartse spiraal.

Nu gaat het gelukkig steeds beter met mij. Ik vind het echt fijn dat ik dat nu kan zeggen.

Wat werkt tegen eenzaamheid

Wat helpt tegen eenzaamheid is heel simpel: contact met mensen. Bij Discus hebben ze bijvoorbeeld bijeenkomsten over eenzaamheid georganiseerd. Dan kom je mensen tegen die daar ook mee zitten, je maakt eens een praatje. Wat ook helpt zijn uitjes, gewoon gezellige dingen met andere mensen. Die worden gelukkig regelmatig georganiseerd.


Wat niet werkt

Wat niet werkt is dwang. Als kind heb ik grote tegenzin tegen dwang ontwikkeld. Mensen zeggen zo makkelijk: ga dan klaverjassen! Maar je moet wel willen en kunnen klaverjassen. Ik schaak liever. Maar het gaat erom dat je het lef moet hebben om je aan te sluiten bij een groep, je moet eropaf durven stappen. Dat is vaak een drempel.

Ik heb moeite met alles wat ik alleen moet doen, maar in de praktijk ben ik zelden helemaal alleen. Ik heb vrienden en kennissen, ik ben best goed in het creëren van een gezellige sfeer, als ik dat over mezelf mag zeggen, ik kan mensen goed met elkaar verbinden.

Aan de andere kant probeer ik mezelf te trainen in het alleen zijn, zodat ik er beter tegen kan, er beter mee om kan gaan.

Samen

Als je van de straat komt, of uit de opvang, en je krijgt een huisje, dan zit je plotseling alleen op de bank. Daarom is het goed dat er aandacht is voor het onderwerp eenzaamheid. Het zijn echt niet alleen dak- en thuislozen, er zijn zoveel eenzame mensen. Soms ga je meer drinken of gebruiken als je eenzaam bent, want wat maakt het uit? Ik pleit mezelf hierin niet vrij.

Vroeger had ik poezen, ontzettend leuk, dat zou ik in principe wel weer willen, maar ik ben ook bang voor de verantwoordelijkheid.

Het is ook fijn om samen met iemand van de begeleiding door de buurt te gaan. Dat je samen gaat kijken waar bijvoorbeeld het buurthuis is. Als ik met iemand samen ben, voel ik me meer op mijn gemak.’




Omroep Human maakte een reportage over Tineke.

Klik hier om deze te bekijken.